In memoriam Kees IJzer

In memoriam Kees IJzer

  • Bericht auteur:
  • Berichtcategorie:Mensen
  • Bericht reacties:0 Reacties
Foto: Crispijn Geus-Tromp

VIJF PLANKEN – Een In Memoriam door John ter Marsch

De helling van de Sint Antoniesluis is te steil. Hij stapt af en duwt zijn bakfietsje naar boven.
Ik ren hem achterna. “Hé, ijzerman! Hallo bakfietsje!” Ik fluit, hij stopt en kijkt om. Ik haal hem in.
In zijn bak liggen fietswrakken, een paar wielen, stalen buizen en een rode brandblusser.
“Ik heb een kist met resten staal, een kilo of 30, heb je daar wat aan?”
“Is goed man,” zegt hij, pakt zijn telefoontje en laat mij het schermpje zien.
Kees, lees ik, en een mobiel nummer.
Ik bel hem een paar dagen later.
Veel lawaai op de achtergrond.
“Ja?”
“Ben jij dat, Kees?”
“Ja.”
“Heb je tijd om het staal op te halen? Een kilootje of dertig.”
“Ja.”
“Ik ben er na twee uur.”
“Is goed man.”
Prompt tegen twee uur staat hij voor de deur.
Vechtpetje, bril met dikke glazen, een kop met grijs krullend staalborstelhaar, een canvas
spijkerjasje, grijs-witte camouflagebroek en schoenen met stalen neuzen, want ik zie wat roest.
Ik laat hem de kist zien. Hij pakt een magneetje uit zijn zak en klikt hier en daar wat.
“Is goed man,” zegt hij.
Ik buk me om mijn kant van de kist op te tillen, maar hij duwt me met zijn elleboog opzij.
“Is niks man, weegt niks, kijk” – hij zet de kist op de werkbank, verzet dan zijn handen en
met een zwaai tilt hij de hele boel op zijn rechterschouder.
“Weegt niks man, is echt niks.”
Op straat kiepert hij alles in zijn bak, het lawaai is oorverdovend. De kist wil hij niet. Want van hout. Ik zie dat de fietsbandjes nogal plat zijn, en de kar maakt een doorgezakte indruk.
“Ben je niet te zwaar beladen, Kees?”
“Nee man, is net van de week gelast, kijk maar,” en hij wijst met zijn voet naar de trapas.
Inderdaad, daar is een wonderlijke bult lasrupsen die de achtervork bij elkaar houdt.
“Ziet er goed uit Kees, je bent absoluut een held in je vak. Ik ga je zeker nog vaak bellen want
ik heb altijd wel wat staal liggen, en ook aluminium en soms brons. Ik heb nu je nummer,
fijn, ik ben blij met je man.”
Ik geef hem een klap op zijn schouder en geef hem een hand.
“Tot snel Kees, ik ga je bellen.”
Mijn hand verdwijnt in een zondoorstoofde ruw-houten barak met jute zakken.
Hij knijpt niet, maar laat niet los. Ik zit muurvast.
Ik schud nog maar wat. En zeg: “Ik ga je bellen Kees.”
Maar Kees geeft geen sjoege en laat mijn hand niet los.
Het lijkt wel of er iets aangenaams in zijn hoofd is gekomen – hij zet de tijd stil,
hij wil in het moment blijven.
We staan midden op straat, zwijgend, mijn hand gevangen in zijn kolenschop. Hij kijkt me niet aan, ik zie zijn ogen achter de dikke brillenglazen links en rechts langs mij heen glijden. Aan
de kleur van zijn snor kan ik zien dat hij rechts rookt. Hij maakt een afwezige tevreden indruk.
Ik schud de handen nog maar eens. Ik weet zo gauw niets beters. Ik zit muurvast. Vreemde situatie.
“Het is goed Kees, ga fijn naar Kaptein om wat centen te beuren, je hebt nu een volle bak.”
Maar dat helpt niet. Kees heeft het naar zijn zin, en wil dat nog even zo houden. Hij staart peinzend voor zich uit.
Het moet een merkwaardig tafereel zijn, twee mannen die eindeloos handen staan te schudden midden op straat; een voorstelling zonder begin of eind – hoe moet dit aflopen? Kees geeft geen krimp en laat me niet los. Wat een bizarre toestand. Het duurt en het duurt. Het wordt enigszins verwarrend.
Maar dan glijdt een donkere schaduw de straat binnen. Een kolossale Range Rover met zwarte ruiten stopt geruisloos achter ons. Mijn redding.
“We staan in de weg Kees, er komt net een dikke auto aan.”
Kees ontwaakt uit zijn trance, en laat mijn hand los. De buitenlucht voelt ineens koel aan.
Samen duwen we zijn kar de stoep op.
De Range Rover – straatwaarde 135.000 euro/gebruikswaarde: personenvervoer –
verdwijnt, en we trekken de kar van Kees – straatwaarde nihil/gebruikswaarde: onbetaalbaar – op de weg. Kees is weer geland en gaat er nu vandoor: “Mazzel” zegt hij en gaat op de trappers staan. Ik geef hem nog een zet en roep hem na:
“Goede reis Kees, en kijk uit, want jij bent niet de enige gek in het verkeer.”
Daar moet hij om lachen.
“Is goed man” roept hij. We lachten er toen om, maar later werd deze grap een gruwel.
Ik bel hem daarna nog regelmatig, en we komen elkaar vaak tegen in de buurt van het Waterlooplein. Veel tekst hebben we niet, we roepen maar wat heen en weer.
Maar dat is goed. Genegenheid kan met weinig woorden.
Kees is 11 juli fataal aangereden bij de Haarlemmerpoort en overleed een week later.
Hij is begraven op Sint Barbara.

Een vriendelijke medewerker van de begraafplaats bladerde in de registers met de enige
gegevens die ik hem kon geven: Kees IJzer – Waterloopleinmarkt. Op internet vonden we nieuwsberichten over het ongeluk en zijn werkelijke naam:
Cornelis Benjamin van der Graaf, geboren 1951.
“Hij ligt op DP21,” zei de medewerker, “ik breng u wel even.”
We stopten achterin de tuin bij een groot rechthoekig gat in de aarde, losjes afgedekt met vijf planken. Hij bukte zich en trok een van de planken opzij. Het gat eronder was diep en donker.
“Hier ligt van der Graaf, alias Kees IJzer. Er komen er nog twee bij, en dan gaan ze met zijn drieën naar de straat daar.” Hij knikte met zijn hoofd naar een lang zwart bord met namen.
“Dat zijn allemaal stadgenoten met een bijzondere levenswandel, begraven door de gemeente Amsterdam. Zijn naam komt ook op het bord.”
Hij groette en verdween.
Het was warm. Ik zette mijn tas op het pad naast het gat. Er ging een trein voorbij, ik zag het geel en blauw tussen de bladeren door. Aan de andere kant hoorde ik kinderstemmen uit de tuin van Het Woeste Westen.
Ik keek naar het bord met al die namen. Ik had een zaklantaarn in mijn tas – zou ik in het gat schijnen om te zien wat er was? Zou ik een foto maken van de losse planken? Nee, doe maar niet. In plaats daarvan legde ik de scheve plank weer recht en voelde treurnis.
Dag Kees. Ik kom je een hand geven, en nu is het mijn beurt om je niet los te laten.
“Is goed man” – ik hoorde het hem zeggen.

Geef een reactie